13 december 2014

Wie ik ben

1996, net 14 geworden en druk in de plaatselijke muziekvereniging en met school, overleed tante Wil. Niet mijn echte tante, maar de ‘moeder van de muziekvereniging’. Opgroeiend in een klein dorpje kende iedereen elkaar en tante Wil nam je onder je hoede als je bij de muziek zat. We hebben er thuis over gesproken, vooral over hoe erg het was voor haar man en zoon, maar nooit over wat het voor mij betekende. Ik heb daar nooit om gevraagd, dacht dat het niet hoorde om daar zelf van alles van te vinden, maar het bleef altijd aan me knagen, dat ik met zoveel onbeantwoorde vragen bleef zitten.

In 2002 werd ik gewezen op een advertentie in de krant, waarin er om studenten werd gevraagd die bij een uitvaartverzorging wilde werken. Ik heb daar twee jaar met veel plezier gewerkt, tot mijn toenmalige werkgever overleed. Dat was voor mij de tijd om de overstap te maken naar het onderwijs, ik had immers mijn PABO diploma vers in de binnenzak zitten. Ik vond een baan als docent in het speciaal basis onderwijs. Ik weet het nog als de dag van gister; in een ‘vrij uur’ ging ik – met de rouwauto –solliciteren. Dat opende een bijzonder gesprek en een deur naar een nieuwe carrière. De rondleiding door school kon trouwens pas plaatsvinden als ik mijn jasje zou uitdoen en mijn stropdas af zou gaan; anders zouden de collega’s er vast iets van denken.

In dat eerste jaar kreeg ik vier keer te maken met een overlijden in de school: twee ouders van twee kinderen (waarvan één uit mijn klas), een kind uit de klas naast de mijne en mijn 17-jarige stagiaire. Ik weet nog goed dat ik na het eerste overlijden vol jonge onbevangenheid de orthotheek inging. Ik stelde me een bibliotheek voor, met kasten vol met boeken over allerlei onderwerpen. Dat was een deceptie. Ik kreeg een gestencild boekje over dood- en rouwverwerking in mijn handen geduwd. Dat was alles. Wat stond er in dat boekje? Wel er was wat informatie over het verschil tussen Rooms-katholieken en protestanten in rouw en dat vooral de directie en de Medezeggenschapsraad op de hoogte gesteld dienden te worden. Daarnaast zat er een invulbrief in: “Geachte ouders, gisteren na schooltijd is er een ernstig ongeluk gebeurfd, dat het leven gekost heeft aan ….. leerling uit groep …” En niet te vergeten stond er in dit boekje dat meer dan drie dagen rouwen vreemd was.

Ik heb met open mond dit boekje gelezen, en daarna gauw weggelegd. Twee dagen heb ik mezelf opgesloten in de bibliotheek en op het internet (dat was er gelukkig al) en ik verslond alles wat ik kon vinden over dit onderwerp. Daarmee heb ik gelukkig steun kunnen geven aan de leerlingen, mede ook door het inzetten van mijn gezond verstand en de kennis die ik bezat vanuit mijn tijd bij de uitvaartverzorging.

In de loop der jaren ben ik alles blijven verzamelen over dood en rouw wat ik vinden kon. Ik wilde niet nogmaals in de situatie terechtkomen, waar ik onvoorbereid zou zijn op een rouwsituatie met kinderen.

Toen ik in 2011 besloot de masteropleiding pedagogiek te volgen, werd dood en rouw ook het centrale thema in mijn onderzoeken, tot aan mijn afstudeeronderzoek aan toe: een kritisch wijsgerig betoog over de begeleiding van oudersterfte.
In dit onderzoek ben ik op zoek gegaan naar de steun die ik miste tijdens het overlijden van tante Wil én naar het gemis dat ik voelde in dat eerste jaar voor de klas. Dat resulteerde onder andere in het uitvaartspeelgoed waar je me wellicht van kent.

Een aantal zaken kenmerken mij:

  • ik ben een enorme boekenwurm; dat wordt onder andere verklapt in mijn werkruimte in Castricum waar dertien boekenkasten vol staan.
  • Ik ga regelmatig een dag (liefst twee) naar de Westhoek in Belgie, om de slagvelden en kerkhoven van de Eerste Wereldoorlog te bezoeken. Dit is mede een reden waarom de klaproos is opgenomen in het logo van Rouw&
  • Ik heb 35 jaar onder de rook van Rotterdam gewoond, in of in de omgeving van Rotterdam gewerkt, dus ben gezegend met een flinke portie Rotterdamse directheid. Ik zeg wat ik denk. Ik denk wel na voordat ik iets zeg, maar mijn mening is meestal wel duidelijk.
  • Ik plan al geruime tijd een dag in de zes weken vrij om naar Schorem te gaan, de kapper in Rotterdam. Even lekker ontspannen, een drankje drinken, een praatje maken, en keurig verzorgd weer naar huis.


Richard Hattink

BewarenBewaren